Zeven jaar geleden raakte Jitse (23) verlamd vanaf zijn borstbeen. Hij werd aangereden op de dag dat hij zijn eindrapport van het vijfde middelbaar mocht ophalen. “Het is makkelijk om medelijden met mezelf te hebben, maar ik wil niet blijven hangen in het negatieve.”

“Ik was een fietser. Op mijn zeventiende reed ik wedstrijden mountainbike. Tijdens een training gebeurde het ongeval. Ik werd door een wagen aangereden en brak daarbij vijf ruggenwervels. Ik verbleef toen twee maanden in een revalidatiecentrum. Met heel veel hulp van mijn ouders kon ik daarna naar huis. Mijn mama is kinesist, dus dat was wel makkelijk.”

“Ik ben iemand die altijd naar iets toe werkt. Door mezelf telkens een doel voorop te stellen, was er geen tijd om mezelf zielig te vinden. Wat niet wil zeggen dat er geen moeilijke momenten waren. Hoe klein het doel ook was, eens ik het bereikt had, was ik er blij om. Zo kon ik na twee weken revalidatie mijn T- shirt zonder hulp aantrekken. Het klinkt misschien onnozel, maar voor mij was dat een overwinning. Een volgend doel was mijn zesde middelbaar afmaken met mijn klasgenoten. En daarna wou ik naar de universiteit om te studeren.”

“Na een maand of drie revalideren stond ik voor het eerst terug rechtop met de hulp van een exoskelet. Aanvankelijk was dit onwennig, het evenwicht voelde zo oncomfortabel aan. Maar wat was het fijn om terug op dezelfde hoogte te staan als andere mensen. Zo’n exoskelet wordt normaalgezien enkel in een revalidatiecentrum gebruikt. Na een hele strijd met de verzekering, kreeg ik er toch één voor thuis. Een exoskelet thuis gebruiken is in België uniek. Zo’n exoskelet thuis hanteren is heel erg fijn. Het kijken naar de wereld rechtstaand is toch anders dan vanuit een rolstoel. Zo liep ik met behulp van mijn exoskelet in de tuin en zag dat de buren zonnepanelen hadden. Mijn mama zei dat ze die al lang hadden. In mijn rolstoel kon ik ze gewoon niet zien. Het aanrecht in de keuken lijkt vanuit mijn rolstoel zo hoog, als ik rechtsta, vind ik het aanrecht toch maar laag om op te steunen.”

“Door de verlamming mis ik een stuk longspier. Ik kon niet niezen of mijn neus snuiten. Dankzij het gebruik van mijn exoskelet maakte ik fysiek heel wat vooruitgang. Daardoor kreeg ik meer longkracht waardoor ik wel gewoon kan niezen en mijn neus snuiten. Het lijken vaak domme dingen, maar ze hebben zo’n grote invloed.”

“Na mijn ongeval ben ik vrij snel opnieuw beginnen sporten. In het revalidatiecentrum had ik een poster gezien van ijshockey. Ik zocht daar filmpjes over op en dat zag er cool uit. De sport was niet te voorzichtig en het was meteen een fysieke uitdaging. Ik zit nu bijna zeven jaar in een rolstoel en dat voelt voor mij normaal aan. Puur fysiek daag ik mezelf graag uit op zoek naar wat ik wel nog kan. Zo heb ik in de Vogezen 80 km met 1200 hoogtemeters gereden met mijn handbike. Dankzij mijn zitski ga op skivakantie.”

“Als ik in mijn rolstoel zit, word ik anders benaderd dan wanneer ik rechtsta. In mijn rolstoel vinden mensen mij zielig. Onterecht vind ik. Een rolstoel valt gewoon op. Met een rolstoel kan je best veel. Ik werk op de derde verdieping van de universiteit. Op een dag was de elektriciteit uitgevallen. Mijn collega’s stelden voor om me naar beneden te dragen. Maar ik kan zelf de trap afrijden met mijn rolstoel. Mijn collega’s stonden er wel van te kijken. Als het brandalarm nu gaat, dan weten mijn collega’s dat ik m’n plan wel trek. Rijden in een rolstoel is mijn vrijheid, maar ik kan er soms ook keihard op vloeken. Het is allemaal te zien hoe je het bekijkt.”

“Onlangs zag ik op Netflix de docufilm ‘Full Circle’ over een zitskiër. Daarin wordt iets gezegd dat ik graag meeneem in mijn leven. Namelijk dat een mens wel 1 000 000 dingen kan en ik kan er nu misschien nog maar 900 000. Dat is nog altijd heel veel. Er zijn zoveel dingen waar je verdrietig over kan zijn. Iemand met financiële beperkingen kan ook niet alles. Ik ben blij en dankbaar over alles wat ik wél nog kan.”